Laatste preek

(door Robert)

 

Bouwen op het fundament

Veel dingen in onze cultuur komen uit de Bijbel, veel uitdrukkingen ook, meer dan dat we denken. Maar ook veel films en verhalen en zelfs sprookjes zijn vaak gebaseerd op Bijbelverhalen.

Zo ook het sprookje van de drie biggetjes en de boze wolf.
De biggetjes gingen zelfstandig wonen en bouwden ieder een huis, de één van stro, de ander van hout en de ander van steen. De wolf blies de eerste twee huisjes om en vrat de biggetjes op. Maar het derde biggetje had goed gebouwd, was niet lui geweest en had zijn tijd niet met feesten doorgebracht.

Tegenwoordig wordt het verhaaltje zo verteld dat de twee eerste biggetjes vluchtten naar het stenen huis van het derde biggetje en zo gered werden. Dat is om er de scherpe kantjes vanaf te halen, om het verhaal wat aardiger te maken. Eigenlijk doen we dat ook bij de prediking van het evangelie: we halen de scherpe kantjes eraf en waarschuwen bijvoorbeeld niet meer voor de hel, want God is immers zo aardig.

Zo’n verhaal over het bouwen van een huis, vertelt Jezus ons in Mat. 7:24-27

Wie deze woorden van Mij hoort en ernaar handelt, kan vergeleken worden met een verstandig man, die zijn huis bouwde op een rots. Toen het begon te regenen en de bergstromen zwollen, en er stormen opstaken en het huis van alle kanten belaagd werd, stortte het niet in, want het was gefundeerd op een rots. En wie deze woorden van Mij hoort en er niet naar handelt, kan vergeleken worden met een onnadenkend man, die zijn huis bouwde op zand. Toen het begon te regenen en de bergstromen zwollen, en er stormen opstaken en er van alle kanten op het huis werd ingebeukt, stortte het in, en er bleef alleen een ruïne over.’

Jezus vraagt ons te geloven, maar doen is dus net zo belangrijk.
Trouwens, uit je daden blijkt wat je gelooft of niet. Denk maar eens aan Noach. Stel je voor: Noach preekt over de zondvloed die komen gaat en hij waarschuwt de mensen zich te bekeren. De mensen zeggen dan: “wat een mooie preek”. En vervolgens gaan ze weg, kopen geen ticket voor de boot en gaan door met alles waar ze mee bezig waren. Ze bewijzen daarmee dat ze hem niet geloofden.
Zo kun je bij anderen, maar ook bij jezelf vaak aan je daden zien wat je echt gelooft en wat niet.

Maar niet alleen je geloof en je daden zijn belangrijk, ook je hartgesteldheid. Hierover spreekt Paulus in 1 Kor. 3:12-13

Of er op dat fundament nu verder wordt gebouwd met goud, zilver en edelstenen of met hout, hooi en stro, van ieders werk zal duidelijk worden wat het waard is.

En nu wordt het een beetje moeilijker, want hoe weet je of je goed bouwt of niet. Je moet dan wel heel eerlijk zijn tegenover jezelf om dat te ontdekken en zo open voor God staan dat Hij daar zijn vinger op kan leggen.

In 1 Korintiërs 13:3 wordt over de liefde gesproken en daarin kom je een heel verbazingwekkende uitspraak tegen:

Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik mijn lichaam om te worden opgeofferd – had ik de liefde niet, het zou mij niet baten.

Dus wat hier staat, is dat je jezelf kunt opofferen zonder liefde en dus zonder enige waarde. Hoewel het wel prettig is natuurlijk om zo iemand tegen te komen als je in nood zit.

Een vrouw bijvoorbeeld die altijd loopt te bedienen, wordt geprezen om haar liefdevolle dienstbaarheid. Maar misschien heeft ze dat door omstandigheden thuis al altijd moeten doen en is dat gewoon de rol waarin ze zich veilig voelt; dus eigenlijk niets geestelijks aan.
Of een voorganger die volop evangeliseert en als een bewogen man wordt gezien, maar misschien wil hij gewoon een grote kerk hebben om zichzelf te bewijzen tegenover zijn collega’s of wil hij meer in de collectezak vangen.

Zulke dingen kunnen we vaak moeilijk beoordelen bij elkaar, maar ook bij onszelf. Paulus zegt dat het niet uitmaakt waarom iemand iets doet, als Christus maar verkondigd wordt. En hij zegt verder: ook ik beoordeel mijzelf niet, maar het is God die mij oordeelt.
Maar de persoon zelf lijdt dus natuurlijk wel schade als hij niet met onbrandbaar materiaal bouwt, verkeerde overwegingen heeft.

Vooral zichtbare bedieningen kennen valstrikken.
Net voordat Jezus sprak over het bouwen van het huis op een fundament, had Hij het over mensen die profeteerden, boze geesten uitdreven, enz. en die niet door Hem gekend waren. Het woord ‘kennen’ heeft trouwens in het Hebreeuws en Grieks een veel intiemere betekenis, namelijk gemeenschap (geestelijk of lichamelijk) hebben. De wonderen die zij deden waren wel echt omdat ze in Jezus’ naam gebeurden, maar zijzelf hadden geen persoonlijke gemeenschap met Jezus.

Zoals Paulus ook zei (1 Kor. 13:2)
Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn.

Die profetieën zijn wel echt, die kennis ook en dat geloof ook, maar zonder liefde. Iemand kan dus een indrukwekkende bediening hebben waar velen van profiteren, terwijl hijzelf de boot mist.

Eigenlijk is er een taak waar veel minder verleidingen bij komen kijken, een taak die niet zo zichtbaar is en een taak die je ook niet gauw doet uit eigenbelang. Dat is bidden – voorbede doen in je binnenkamer.
De binnenkamer was in Israël de voorraadkamer midden in het huis – daar kwam de meeste tijd niemand, daar kon je dus rustig zitten bidden in het donker.

We horen het vaak, gebed is het hart, de motor. We doen ons best, maar echte bidders zijn we niet, nog niet. Misschien geloven we er ook niet echt in, niet genoeg in ieder geval, anders zouden we het meer en intenser doen.

Laatst viel mij een tekst op uit Handelingen (6:2-4)

Daarop riepen de twaalf apostelen de voltallige gemeenschap van leerlingen bijeen en zeiden: ‘Het is niet goed dat wij de zorg dragen voor de gemeenschappelijke maaltijden, want daardoor verwaarlozen we de verkondiging van Gods woord. Kies daarom, broeders en zusters, uit uw midden zeven wijze mannen die goed bekendstaan en vervuld zijn van de heilige Geest. Aan hen zullen we deze taak opdragen, terwijl wij ons zullen wijden aan het gebed en aan de verkondiging van het woord van God.’

Interessant, voor de superkoffiebar waren dus mensen nodig die wijs waren en vervuld met de heilige Geest. Maar het gaat mij vooral om de tekst erna, waarin de apostelen zeggen dat ze zich op de eerste plaats willen wijden aan gebed.
Gebed is dus duidelijk het allerbelangrijkste, en vervolgens de verkondiging van het Woord.

Ik heb het regelmatig meegemaakt dat God me iemand aanwees die ik het Evangelie moest brengen. Dat kostte me iedere keer weer strijd, iedere keer had ik er weerstand tegen, durfde ik niet of zo en ervoer allerlei aanvallen. Ik moest dan echt bidden en smeken totdat ik op een punt kwam dat ik helemaal bereid was te gehoorzamen. En dan bidden voor de persoon zelf. Daarna was de spanning eraf, kwam ik de persoon tegen of zocht hem op, kreeg een opening en dan gebeurde er ook altijd wat. Ik heb zo een tijdlang heel wat mensen tot de Heer kunnen brengen.
Maar het begon dus met gebed. Door gebed haalde ik eigenlijk al de overwinning in de hemelse gewesten, waren de betreffende boze geesten daar verslagen en de rest ging dan vanzelf.

Als we allerlei dingen kunnen doen zonder te bidden, dat heeft dat meestal niet veel geestelijke gehalte. Of iemand anders heeft daarvoor gebeden.

Mijn dochter, had vroeger een vriendinnetje en haar moeder had veel problemen met dat meisje. Ik kende ze nauwelijks, maar had de moeder op een gegeven moment aan de telefoon en ze klaagde over haar dochter. “Weet je wat”, zei ik, “ik kom langs en dan gaan we samen op de knieën en dan geef je je over aan God”.
Ik ging direct, we gingen op de knieën en ze bekeerde zich. Zo simpel.
Maar achteraf bleek dat een echtpaar in Zeeland jarenlang intensief voor haar had gebeden. Ik was dus alleen maar even een schakeltje geweest.
Zij hadden het echte werk gedaan. Het echte werk gebeurt op de knieën.

Iemand zei eens: Engelen doen niets totdat wij bidden. Het staat niet in de Bijbel, maar wie weet is het zo. In ieder geval wijst veel erop dat God op ons gebed wacht om iets te doen.

Een tijdje geleden waren Miep en ik bij haar nichtje omdat ze steeds een akelige aanwezigheid in het huis boven voelde, en ook omdat haar kinderen steeds naar het ziekenhuis moesten. We hadden afgesproken, maar toen we aankwamen, was ze alweer naar het ziekenhuis met haar dochtertje. Maar haar moeder was er wel. Toen we op de kamers boven de boze geesten aanspraken, zag ik voor het eerst sinds vele jaren weer engelen. Ze zagen eruit als werklui in overall en renden langs ons heen, ze hadden duidelijk haast. Misschien hadden ze heel ongeduldig op ons gebed zitten wachten om iets te mogen doen.
Eén van de engelen legde even zijn hand op mijn borst toen hij voorbijkwam. De tranen sprongen in mijn ogen. Op hetzelfde moment liepen bij de zus van Miep de tranen over de wangen. “Bestaat God dan echt?” vroeg ze ineens. Blijkbaar was zij op datzelfde moment ook door een engel aangeraakt.

Na ons bezoek daar was die akelige aanwezigheid weg en zijn de kinderen niet meer ziek geweest.
De engelen hadden dus goed werk kunnen leveren.

Het is fijn als je zo even achter de schermen kunt kijken en kunt zien wat er gebeurt. Vroeger zag ik dat vaker, maar daardoor besef ik nu wel dat er echt wat gebeurt als we bidden, als we in geloof bidden tenminste, en als we vurig en bewogen bidden. En daar zit ook een probleem. We zijn vaak zo lauw, zo van: we bidden wel en misschien doet God wat en misschien doet Hij niks, we zien wel. Dan denkt God misschien ook: we zien wel.

Kerken kunnen lekker actief zijn, van alles organiseren, maar als er weinig gebed is, zijn er geen werkelijke vruchten door hun inspanningen.
Een rondreizende prediker zei eens dat hij altijd heel goed merkte of er in een kerk weinig of veel gebeden werd. In kerken waar weinig gebeden wordt, gebeurt weinig, hoe goed je als prediker ook bent, maar een slechte spreker die in een kerk komt waar veel gebeden wordt, kan veel doen.

Ik geloof dat God wacht op ons gebed, wacht op onze eenheid, op ons gezamenlijk bidden, en als we zover zijn, zal Hij zijn leger engelen sturen.

De kerkgeschiedenis leert het ook: steeds als er veel in eenheid gebeden wordt, gebeuren er grote dingen.

Ik lees wat voor over een evangelische gemeente van een tijd geleden op Oost-Timor, bij Indonesië:

Ik behoor tot de presbyteriaanse kerk, en daar hadden we de zaken keurig voor elkaar. Als we naar de kerk gingen, stond alles op papier. De dominee las een gedeelte, en wij ook. We wisten precies wanneer we moesten opstaan of gaan zitten, wanneer we moesten bidden of zingen. Ik waardeerde die orde in de kerk zeer.

Ongeveer 200 mensen van alle leeftijden waren voor gebed samengekomen in onze kerk. Toen we aan het bidden waren, gebeurde er plotseling iets vreemds. We hoorden een geweldig geruis als van een geweldige windvlaag.
De zuster naast mij begon te bidden en tegelijkertijd hoorde ik hoe vele anderen ook begonnen te bidden. Je moet weten, dat wij in onze kerk altijd precies om de beurt baden.
De predikanten keken bezorgd.

Toen hoorde ik de brandklok luiden. De dorpelingen renden naar de kerk met emmertjes water omdat ze vlammen zagen.

Voor mij zat een zuster die de handen opstak. “Heer, die zuster verstoort de orde in uw kerk”, dacht ik. Wij gedroegen ons altijd heel ordelijk. Overal begonnen mensen de handen omhoog te heffen en de Heer te aanbidden. Verschillende mensen begonnen in vreemde talen te spreken. Op een gegeven moment deden steeds meer mensen dat en stonden op om de Heer te prijzen.

Jarenlang waren we door de predikanten voor de gek gehouden dat we de doop in de heilige Geest al hadden ontvangen. Die avond beseften we dat we er zelf om moesten vragen en we hadden er honger naar.

De dorpelingen die aangekomen waren ontdekten dat de vlammen geen echte vlammen waren. En ze vroegen zich af wat er aan de hand was dat iedereen zo door elkaar bad. In plaats van met 200 waar we nu met ruim 1000 mensen in de kerk en velen bekeerden zich.

Een jongeman die pas een paar dagen bekeerd was, begon te preken, tot ontsteltenis van verschillenden.
Hij haalde de profeet Joël aan en zei dat er hier nu gebeurde wat er geprofeteerd was, en aan het einde van de preek zei hij dat we de volgende dag erop uit moesten trekken om het evangelie te prediken. Toen kon ik mij niet meer inhouden. Ik zei: “Dat kan toch niet, we zijn alleen maar bekeerd en hebben geen Bijbelschool gehad. Dat is onmogelijk.”

De volgende dag vertrokken 70 groepen om het evangelie op het eiland te verkondigen. Zelfs groepen die alleen uit kinderen bestonden.
Er volgden grote tekenen en wonderen en velen bekeerden. Er werden doden opgewekt, er daalde vuur uit de hemel, er werd op water gelopen, enz.

En dat begon allemaal met een bidstondje, waar ogenschijnlijk iedereen was.

Het gaat wel wat kosten als de opwekking begint – we zullen uit ons veilige rustige hoekje gehaald worden.
Maar wat kan dat de moeite waard worden!