Laatste preek

(door Roel)

 

Gods verterend vuur

Numeri 16 en 17

 

De laatste tijd ben ik begonnen met een leesplan om in één jaar de bijbel door te lezen in chronologische volgorde, dus alle geschiedenissen ongeveer op volgorde zoals destijds in de tijd zijn gebeurd. Dat begint natuurlijk in Genesis.

En wat me voor het eerst opviel is dat daar ergens tussen in het verhaal van Job komt (na Genesis 10 of 32 zeggen de theologen, in verband met de verwijzing naar het land Uz (dat lag mogelijk ten oosten van de Jordaan, het land Kanaän). Zijn naam betekent zoiets als ‘waar is de Vader (God)?’ Job wordt vrijwel alles afgenomen, kinderen, alle welvaart die hij zich had verworven en wordt dan ook nog ernstig ziek. En nog geeft Job daar God niet de schuld van. De discussie met de drie vrienden heb ik nooit echt goed begrepen: zij menen dat hij ergens zwaar gezondigd moet hebben. Die worden uiteindelijk door God terecht gewezen. Maar had Job nu fout gedaan? Als enige kan ik er uit halen dat hij klaagde over zijn toestand: ‘Ach was ik maar nooit geboren’ en de vraag naar het waarom het hem allemaal was overkomen. Hij moest uiteindelijk toch belijden dat het beter is God te kennen dan de antwoorden op het waarom. Maar wat je uit het boek Job leert is dat de pijn niet altijd een straf van God is.

Nu ben ik in Exodus aan het lezen, de geschiedenis van het volk Israël die onder leiding van Mozes uit Egypte van het juk van de slavernij wordt bevrijd. Het spectaculaire verhaal van de doortocht door de Rode Zee, waar het volk met al hun vee tussen twee hoge muren van water doorloopt en veilig aan wal komt, is een mooi beeld van onze bekering, onze wedergeboorte. Als je de stap met God waagt om een nieuw leven met Hem te beginnen, dan wordt alles anders. Je moet leren God de eerste plaats in je leven te geven, leren gehoorzamen en ook leren genoegen te nemen naar het land overvloeiend van melk en honing te brengen en dat ze zullen overwinnen. Tenminste als ze weten gehoorzamen.
Exodus 19: 4-6a: 4“Jullie hebben gezien hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij heb gebracht. 5Als je mijn woorden ter harte neemt en je aan het verbond met mij houdt, zul je een kostbaar bezit voor mij zijn, kostbaarder dan alle andere volken – want de hele aarde behoort mij toe. 6Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk.”

Daar in de woestijn geeft God de tien geboden aan zijn volk en daar ziet het volk ook Gods heerlijkheid. Als Mozes en Aäron hun die wetten voorhouden dan beloven ze allemaal: Exodus 19:8a: 8En het hele volk antwoordde als uit één mond: ‘We zullen alles doen wat de HEER heeft gezegd.’

En dan lees je verder, waar het volk allerlei wetten maar ook feesten krijgt voorgeschreven. God doet dat dus om hen Een koninkrijk van priesters …, een heilig volk te maken. Maar het volk is hardleers en moet regelmatig gecorrigeerd worden. Een voorbeeld daarvan staat in Numeri 16 en 17. Op dat moment is de tabernakel al gereed. Als je een bijbel bij je hebt mag je die op die hoofdstukken openen en meelezen. Ik vertel de geschiedenis min of meer in eigen woorden:

(1) ‘De Leviet Korach, de zoon van Jishar, de zoon van Kehat, en de Rubenieten Datan en Abiram, … kwamen tegen Mozes in opstand. Ze werden gesteund door tweehonderdvijftig leiders van de Israë­lie­ten, achtenswaardige mannen, de aanzienlijkste van de gemeen­schap. (3)  Ze stelden zich tegenover Mozes en Aäron op en zeiden tegen hen: ‘U matigt u te veel aan. Alle leden van de gemeenschap zijn heilig, en de HEER is in hun midden. Waarom voelt u zich dan boven de gemeenschap van de HEER verheven?’

Weer een revolutie! En een dubbele nog wel! Niet alleen tegen het leiderschap van Mozes (Dathan, Abiram), maar ook tegen het priesterschap van Aäron (door Korach). En het is niet het ‘samenraap­sel’, dat moppert en in opstand komt, maar de aristocratie van het volk, de aanzienlijkste leden van de volksvergadering, mannen van naam; mannen, die een zeer verantwoordelijke positie bekleden. Dit wordt wel een heel gevaarlijke revolutie voor Mozes en Aäron.

‘Je matigt je te veel aan; het moet uit zijn met je pretenties,’ zeggen zij.  Mozes hoort deze woorden, hij hoort ook dat deze opstand per slot niet hem geldt, maar God. Welnu, dan zal God voor hem strijden. God heeft Mozes en Aäron tot leiders aangesteld. God zal beslissen.  (5) Met rustige stem zegt Mozes: ‘Morgen zal de HEER bekendmaken wie hem toebehoort, wie heilig is en in zijn nabijheid mag verkeren. Wie hij zal uitkiezen, mag in zijn nabijheid komen. (6-7)  Luister wat u moet doen, Korach, en u, zijn aanhangers, ook: neem morgen allemaal een vuurbak, doe er gloeiende kolen in en leg daar reukwerk op voor de HEER. Degene die dan door de HEER wordt uitgekozen, die is heilig. U matigt ú te veel aan, Levieten.’

Met kalm sarcasme pakt de grote leider de opstandelingen met hun woorden terug; en vlijmend fel is zijn verwijt, dat ze opstaan tegen Aäron. (12) Dan zendt Mozes een bode om Dathan en Abiram te roepen, die opstaan tegen zijn leiderschap. Ze gehoorzamen niet en zeggen: We komen niet. (13) Is het niet genoeg dat u ons uit een land dat overvloeit van melk en honing hebt weggehaald om ons in de woestijn te laten sterven? Moet u zich ook nog als heer en meester over ons opwerpen? (14)  U hebt ons bepaald niet naar een land gebracht dat overvloeit van melk en honing, en ons ook geen akkers en wijngaarden gegeven. Denkt u dat u mannen als wij een rad voor ogen kunt draaien? We komen niet.’

(15) Mozes is woedend. Hij bidt: ‘Heer, Schenk geen aandacht aan hun offer.’ Vreselijke bede van de leider, maar door en door gerechtvaardigd; hij heeft immers nooit een ezel van hen genomen en niet één van hen kwaad gedaan?! De morgen komt en met de morgen het oordeel van God.

(18-19) Daar staan ze bij de samenkomsttent: Korach en zijn tweehonderd vijftig opstandelingen, ieder met zijn wierookvat (= vuurpan) en reukwerk daarin, de heilige voorwerpen in hun onheilige handen. En tegenover deze bende revolutionairen Mozes en Aäron, de broers, de door God gegeven leiders.

Allen wachten in spanning. Nu komt het grote ogenblik. Nu… Plotseling verschijnt de heerlijkheid van de Heer. (20-21) En en als in felle donder zegt Hij tot Mozes en Aäron: ‘Zonder je van deze menigte af, dan zal ik die in een oogwenk vernietigen.’

Ontzettende wraak van God. (22) Dit is te veel voor Mozes. En in het stof gebogen smeekt hij: ‘God, u die al wat leeft de levensadem schenkt, als één mens zondigt, laat u uw toorn dan op het hele volk neerkomen?’

Mozes pleit niet tevergeefs. (23-24) De dreiging van Gods toorn is milder als Hij antwoordt: ‘Ga bij de tenten van die goddeloze mannen vandaan’, zei hij tegen het volk, ‘en raak niets aan dat van hen is, anders komt u om vanwege hun zonden.’ Iedereen ging bij de tenten van Korach, Datan en Abiram weg. De opstandelingen staan in de ingang van hun tenten met hun vrouwen en kinderen. Uitdagend is hun houding.

(28) Er valt een doodse stilte op het volk als Mozes spreekt: ‘Nu zult u inzien dat het de HEER is die mij gezonden heeft om alles te doen wat ik heb gedaan, en dat het niet uit mijzelf is voortgekomen. (29)  Sterven deze mensen op de manier waarop iedereen sterft, treft hen hetzelfde lot als ieder ander, dan heeft de HEER mij niet gezonden. (30) Maar als de HEER iets laat gebeuren dat nog nooit gebeurd is, als de aarde haar mond openspert en hen met al hun bezittingen opslokt en zij levend in het dodenrijk afdalen, dan zult u inzien dat die mannen de HEER hebben afgewezen.’

Mozes’ laatste woorden zijn verklonken. Hevig is de spanning, die woont in de harten van het volk. Nu zal het beslist worden. Nu zal God zelf beslissen. (32) Plotseling trekt een brede gapende spleet in de aarde; de grond splijt open onder de voeten, onder de tenten der opstandelingen… hun laatste angstkreten versmoren in de aarde, die zich weer boven hen sluit.

Ontzettend dat oordeel van God. Het volk, dat in verbijstering gestaan heeft en het oordeel heeft gezien, het angstgeschreeuw heeft gehoord, vlucht in blinde angst.

(35) Dan slaat Gods vuur vernietigend in de bende opstandelingen, die staat bij de samenkomsttent nog met hun rokende wierookvaten in de hand. Ze worden dodelijk getroffen, alle tweehonderdvijftig. (17:1-5) Uit de as van de relschoppers moet Eleazar, de zoon van Aäron, de koperen wierookvaten redden, want die zijn gebruikt voor een heilige handeling, zij het door onheilige handen; deze wierookvaten worden straks uitgeplet en de koperen platen aan het brandofferaltaar bevestigd, tot een herinnering voor de Israëlieten aan de zonde van Korach en zijn muiters.

Heeft het volk van deze angstige gebeurtenis iets geleerd? en hadden ze het heilig voornemen om niet meer  in opstand te komen tegen de Heer? (6) Ach, reeds de volgende dag schuiven ze Mozes en Aäron de schuld van het gebeurde in de schoenen: ‘U hebt het volk van de HEER gedood’, zeiden ze. Ze bedreigen Mozes en Aäron, maar God laat hen niet in de steek. Weer verschijnt zijn heerlijkheid in de wolk en weer spreekt de Here in heilige toorn: (10) ‘Ga bij die mensen uit de buurt, zodat ik ze in één klap kan vernietigen.’ Nu is de toestand van het volk kritiek. Mozes en Aäron smeken om genade en als hun gebed geëindigd is, zegt Mozes tegen Aäron: (11)‘ Snel pak een vuurbak, doe er gloeiende kolen van het altaar in, leg daar reukwerk op en ga zo snel mogelijk naar het volk. Bewerk verzoening voor hen, want de toorn van de HEER is ontbrand, de plaag is al begonnen.’

(12-14) Maar Gods vernietigende toorn was inderdaad reeds al begonnen; bij duizenden vallen de opstandelingen dood neer en Aäron, de hogepriester die verzoening moet doen voor het volk, staat met het reukwerk van de verzoening tussen de levenden en de doden. En dan… o, wonder van rechtvaardigheid: hier blijkt dat het pleiten op Gods beloften machtiger dan is dan Zijn toorn. Op de  rotsen van die beloften breekt de vreselijke woede van zijn wraak.

Hier zie je dat het wonder van Gods liefde uiteindelijk uitgaat boven zijn toorn. We worden stil en in de heilige bewondering voor zoveel rechtvaardige liefde van de Heer zien we hem staan, Aäron, de hogepriester, door wiens reukwerk van verzoening en smeking de brand van de toorn van God  geblust wordt.

(14) 14.700 mensen kwamen om. Die families van Korach, Dathan en Abiram niet meegeteld.

(16-20) Nogmaals krijgen de Israëlieten een teken wie God heeft gekozen voor de geestelijke leiding van het volk. Voor elke stam wordt een staf met de naam van het stamhoofd in de ontmoetingstent gelegd. De staf die de volgende dag zou gaan bloeien zou de geestelijk leider aanwijzen. (23) De staf van Aäron (de stam Levi) bloeide de dag erna. De Israëlieten beseften dat ze hadden gezondigd: (27-28) De Israëlieten zeiden tegen Mozes: ‘We komen om, het is met ons gedaan, het is met ons allemaal gedaan.  Iedereen die in de buurt van de tabernakel van de HEER komt, sterft. Moeten wij dan allemaal omkomen?’

Nee, zegt God dan in de volgende hoofdstukken waarin hij Zijn liefde voor het volk laat zien en leefwetten geeft die goed zijn voor het volk, op dat moment nog zo’n 600.000 mensen. Als men die opvolgt zal er vrede zijn, redding, overwinning en verzoening over hun zonden.

Want God had de wereld zo lief dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.

Johannes 3:16

Over dit wonder heen zien we in verre toekomst een ander wonder, groter, heerlijker, machtiger nog… het onbegrepen wonder van Golgotha; daar hangt een Man aan een kruis, een Man, die gebeden heeft dat de mensen hun hart aan Hem gegeven hebben zullen zijn in Zijn heerlijkheid, waar hij is. Met andere woorden, opdat niemand van hen verloren gaat. Door het: ‘Het is volbracht’ van Jezus, mogen we weten dat Zijn offer ons tot in alle eeuwigheid onschendbaar maakt voor Gods brandende toorn. Voor hen dus die in Hem geloven en in Zijn voetstappen gehoorzamen aan Gods wil.

Ben je ook jij bereid die weg tot behoud in de eeuwige heerlijkheid te gaan?